Onderstaande kengetallen geven in samenhang informatie over de financiële positie van de gemeente. Het BBV geeft geen landelijke normering voor de kengetallen. De kengetallen zijn een weerspiegeling van het gevoerde beleid binnen een gemeente. De kengetallen moeten zodoende in samenhang worden beoordeeld, wat ook de onderlinge vergelijkbaarheid met andere gemeenten bemoeilijkt.
Verloop kengetallen | Realisatie | Prognose | Prognose 2027 | Prognose | Prognose | Prognose 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|
Netto schuldquote | 40% | 58% | 80% | 94% | 114% | 123% |
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen | 37% | 55% | 77% | 92% | 111% | 121% |
Solvabiliteitsratio | 56% | 45% | 36% | 32% | 28% | 27% |
Structurele exploitatieruimte | 2,3% | 0,8% | 1,7% | 1,5% | 0,9% | -0,3% |
Grondexploitatie | 3,2% | 3,3% | 3,5% | 1,3% | 3,2% | 2,8% |
Belastingcapaciteit | 74% | 74% | 73% | 78% | 81% | 81% |
Risico-classificatie
Laag |
|---|
Midden |
Hoog |
Beschouwing
Voor de beoordeling van de financiële positie is het belangrijk dat zowel naar de balanspositie als naar de exploitatie wordt gekeken. De kengetallen netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de balans. De kengetallen structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit laten zien of we over voldoende structurele baten beschikken en welke mogelijkheid we hebben om de structurele baten op korte termijn te vergroten.
In de nota Financiële positie gemeente Tilburg 2023 hebben wij met uw raad afgesproken om signaalwaarden te koppelen aan de BBV-kengetallen en deze uit te drukken in de risico-classificatie laag-midden-hoog. Deze risico-classificatie is door middel van kleuren in de tabel geïntegreerd.
Op basis van deze zes kengetallen concluderen we dat onze financiële positie stevig is. Ook landelijk gezien vallen wij in de categorie van minst risicovolle gemeenten. Wel zien we de komende jaren een kentering optreden in onze financiële positie.
Onze financieringsstructuur is zodanig dat we veel met eigen vermogen hebben gefinancieerd en daardoor weinig schulden hebben. We beschikken dan ook over een gezonde financieringspositie.
Hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid. Doorrekening van ons huidige ambitieniveau in combinatie met het geprognosticeerde moment van realisatie laat een flinke daling zien van de solvabiliteitsratio van 56% in 2025 aflopend naar 27% in 2030.
De dalende solvabiliteitsratio betekent dat de verhouding tussen ons eigen vermogen (reserves) en vreemd vermogen (schulden) wijzigt door een toename van het vreemd vermogen ten opzicht van ons eigen vermogen. Eén van de oorzaken is de inzet van onze reserves voor nieuwe uitgaven. Op het moment dat eigen vermogen wordt ingezet voor uitgaven, betekent dit doorgaans dat er externe leningen moeten worden aangetrokken om de uitgaven te kunnen doen. Hierdoor stijgt je vreemd vermogen (schulden) en daalt je eigen vermogen (reserves) wat tot een daling van de solvabiliteitsratio leidt. Een stijging van het vreemd vermogen door het aangaan van leningen betekent ook dat een gedeelte van de exploitatieruimte ingezet moet worden ten behoeve van te betalen rente en dat er nagedacht moet worden hoe leningen op termijn kunnen worden afgelost.
Als uitgangspunt voor een gezond duurzaam financieel beleid geldt dat er structureel niet meer geld wordt uitgegeven dan dat er binnenkomt. Het feit dat we langlopende leningen aan moeten trekken betekent dat we meer geld uitgeven dan dat er binnenkomt.
In lijn met een dalende solvabiliteitsratio stijgt de netto schuldquote oplopend van 40% in 2025 naar 123% in 2030. Bij een percentage van meer dan 100% betekent dit dat onze netto inkomsten onvoldoende zijn om onze openstaande schulden in één keer af te lossen. De oplopende schuldquote wordt met name veroorzaakt door een toename aan investeringen en inzet van reserves over de komende jaren.
Ondanks de ervaring dat vanwege ons hoge ambitieniveau de prognoses in de tijd gedeeltelijk naar latere jaren verschuiven, waardoor de kengetallen aan het einde van het jaar op basis van werkelijke realisatie afwijken van deze geprognosticeerde kengetallen, zijn bovenstaande kengetallen op basis van de voorgenomen meerjarige begrotingsopgaven wel het toekomstbeeld van onze gemeente.
Voor de beoordeling van de financiële positie is het ook van belang te kijken naar de structurele baten en structurele lasten. Structurele baten zijn bijvoorbeeld de algemene uitkering en de opbrengst OZB. Een negatief percentage bij de structurele exploitatieruimte betekent dat onze structurele baten niet toereikend zijn om de structurele lasten (waaronder de rente en aflossing van leningen) te dekken. Een positief percentage betekent dat we structureel niet meer uitgeven dan wat er structureel binnenkomt.
We zien dat onze structurele exploitatieruimte op grond van onze huidige prognoses over de komende jaren tot en met 2029 positief is. In 2030 is onze structurele exploitatieruimte -0,3%. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de structurele lasten hoger zijn dan de structurele baten in dat jaar. Bovendien hebben we voor dat jaar een geprognosticeerd exploitatietekort van € 7,7 miljoen. Deze negatieve structurele exploitatieruimte, alsook negatieve exploitatiesaldo in 2030 heeft de aandacht en moet in samenhang worden gezien met de discussie over de financiële verhouding met het Rijk.
Onze grondpositie, hier gedefinieerd als de waarde van de grond ten opzichte van onze baten, is met 3,5% in 2027 beperkt, waardoor we ook een beperkt risico lopen.
De belastingcapaciteit geeft de mate aan waarin de lokale lasten, en hiermee de gemeentelijke baten, eventueel kunnen worden verhoogd om financiële tegenvallers op te kunnen vangen of om ruimte voor nieuw beleid te creëren. Onze woonlasten van meerpersoonshuishoudens bedragen in 2027 73% van het landelijk gemiddelde over 2026*. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde over 2026 hebben we dus nog voldoende ruimte om de woonlasten te verhogen.
(*De Tilburgse woonlasten 2027 worden conform BBV afgezet tegen het landelijke gemiddelde over 2026 (T-1)).
