Commissie Van Ark In de Voorjaarsnota 2025 van het Rijk is een eerste tussenstap gezet in de opvolging van het zwaarwegende advies van de deskundigencommissie Van Ark over de kosten die gemeenten maken voor jeugdhulp. Aansluitend zijn afspraken gemaakt over het resterende deel van het advies. Gemeenten zijn met terugwerkende kracht gecompenseerd voor 50% van de extra gemaakte kosten over 2023 en 2024. Hiermee is uitvoering gegeven aan het betreffende onderdeel van het advies van de commissie van Ark en is de aangekondigde gang naar de rechter van de baan. Voor de jaren 2025 en 2026 is afgesproken dat een nieuwe deskundigencommissie begin 2027 terugkijkt op de kostenontwikkeling in deze jaren en een inschatting maakt van de kostenontwikkeling vanaf 2027. Het tweede advies van de commissie Van Ark heeft daarmee zowel een terugkijkend element over de periode 2025-2027 als een vooruitkijkend element vanaf 2028/2029, waaronder een advies over de structurele financiering van de jeugdhulp. Voor de opvolging van deze afspraken is in de meerjarenbegroting vanaf 2028 een stelpost opgenomen ad € 19,6 mln. In het financieel kader gaan we daarmee ervan uit dat de effecten voor jeugdzorg vanaf 2028 en verder € 0 zijn. Dit is in lijn met het begrotingsadvies van de VNG. Financieringssystematiek Daarnaast wordt binnen de hervormingsagenda Jeugd toegewerkt naar een nieuwe financieringssystematiek per 1 januari 2029. De jeugdhulp wordt momenteel bekostigd via de Algemene Uitkering uit het gemeentefonds. Omdat de kosten van jeugdhulp in de praktijk sterker kunnen stijgen dan het accres van het gemeentefonds, biedt de huidige financieringssystematiek niet automatisch voldoende dekking voor de ontwikkeling van de gemeentelijke jeugdhulpkosten. De aanvullende middelen uit de Voorjaarsnota van het Rijk verkleinen dit verschil in de tussenliggende periode, maar nemen het niet volledig weg. De structurele financiële gevolgen van de nieuwe financieringssystematiek zijn daarom nog onzeker. Hervormingsagenda Het Rijk is in de mei circulaire 2025 uitgegaan dat de Hervormingsagenda Jeugd vanaf 2028 leidt tot lagere uitgaven jeugdhulp. Op basis hiervan wordt vanaf 2028 een lagere bijdrage vanuit het gemeentefonds verstrekt. In de gemeentelijke meerjarenbegroting is daarom rekening gehouden met het realiseren van een besparing van € 11,8 mln. vanaf 2028 door middel van het opname van een structurele stelpost. Het is echter onzeker of deze door het Rijk ingeboekte besparingen in de praktijk in dezelfde omvang en binnen de verwachte termijn door de gemeente kunnen worden gerealiseerd. Het risico bestaat derhalve uit het niet, niet volledig of niet tijdig kunnen realiseren van de door het Rijk veronderstelde besparingen als gevolg van de Hervormingsagenda jeugd, terwijl de lagere inkomsten vanuit het gemeentefonds vanaf 2028 wel zijn doorgevoerd. | |
Open-einderegeling Jeugdwet De Jeugdwet heeft een open-eindekarakter. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van noodzakelijke jeugdhulp, waardoor financiële gevolgen van een stijgend beroep op jeugdhulp bij gemeenten terechtkomen. De afgelopen jaren laten een aanhoudende stijging van de kosten zien. Deze ontwikkeling wordt onder meer bepaald door het aantal cliënten, de zorgzwaarte, intensiteit en duur van trajecten en de ontwikkeling van tarieven. Met name binnen het segment wonen (segment 2) en de veelvoorkomende specialistische jeugdhulp (segment 4) is sprake van een stijgende kostenontwikkeling. Daarnaast brengen de regionale bekostigingsvormen financiële risico's met zich mee. Bij lumpsumfinanciering leidt een beperkte daling van het aantal cliënten niet direct tot lagere lasten (segment 1 en segment 5), terwijl bij P*Q-bekostiging ontwikkelingen in prijs, volume, zorgzwaarte en intensiteit direct doorwerken in de gemeentelijke uitgaven. Het risico bestaat daarmee dat de kosten van jeugdhulp zich ongunstiger ontwikkelen dan begroot, ondanks de ingezette maatregelen om het gebruik en de kosten te beïnvloeden. Koersplan jeugdhulp In de begroting zijn taakstellingen op de kosten van jeugdhulp opgenomen van € 4,0 miljoen in 2027, oplopend tot € 7,6 miljoen structureel vanaf 2028. Hiermee wordt vooruitgelopen op de verwachte financiële effecten van de maatregelen uit het koersplan ombuiging jeugdhulp. De realisatie van deze taakstellingen is echter afhankelijk van de mate waarin de maatregelen daadwerkelijk leiden tot een afname van instroom, zorggebruik, zorgzwaarte en de duur en intensiteit van trajecten. Het risico bestaat dat de ingeboekte taakstellingen niet, niet volledig of pas later worden gerealiseerd. Hierdoor ontstaat een financieel nadeel ten opzichte van de begroting. Beweging sociaal domein De gemeente zet in op een structurele beweging van specialistische jeugdhulp naar meer preventieve, collectieve en algemene ondersteuning. Hiermee wordt beoogd de instroom in specialistische jeugdhulp te beperken en het gebruik en de kosten van specialistische jeugdhulp structureel te verminderen. Het effect van deze beweging is echter onzeker en afhankelijk van de snelheid en effectiviteit waarmee maatregelen worden geïmplementeerd. Het gaat dan om de maatregelen vanuit investeringen in de sociaal (pedagogische) basis en de vorming van de Wijkzorgteams. Het risico bestaat dat de beoogde trendbreuk onvoldoende of later wordt gerealiseerd, waardoor de kosten van de specialistische jeugdhulp onvoldoende dalen. In de meerjarenbegroting is rekening gehouden met een daling van de kosten van de specialistische jeugdhulp van structureel € 1,7 miljoen. | |